Recent heeft A-G Wattel geconcludeerd dat de gemeenteraad van Gulpen-Wittem misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot het vaststellen van een verordening forensenbelasting, doordat de gemeenteraad de forse verhoging van het tarief mede motiveerde door te verwijzen naar overwegingen die het terugdringen van het woningtekort voor de eigen inwoners vooropstellen en dit een niet-toegestaan motief is. Omdat het onverbindend achten van een belastingverordening wegens détournement de pouvoir maar weinig voorkomt, ben ik eens dieper in dit onderwerp gedoken.
Ik heb mijzelf onder andere afgevraagd waarom er zo weinig uitspraken bestaan over de toepassing van dit beginsel op lokale belastingverordeningen, hoe dit beginsel zich verhoudt tot de andere rechtsbeginselen waaraan lokale belastingverordeningen worden getoetst, wat de inhoud van dit beginsel precies is en wat de weinige bekende uitspraken zeggen over de rechterlijke invulling in lokale belastingzaken.
Daartoe heb ik onderzocht wat er in de wetsgeschiedenis en literatuur te vinden is over (de codificatie van) dit beginsel (paragraaf 2) en over de positionering ten opzichte van andere beginselen (paragraaf 3). Vervolgens heb ik onderzocht hoe dit beginsel door de rechter wordt ingevuld in de algemeen bestuursrechtelijke jurisprudentie (paragraaf 4) en in fiscale zaken waarin de rechtsgeldigheid van de belastingverordening in geschil is (paragraaf 5). Ik sluit af met een conclusie (paragraaf 6).
| Original language | Dutch |
|---|
| Article number | 22 |
|---|
| Pages (from-to) | 26-38 |
|---|
| Number of pages | 13 |
|---|
| Journal | Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht |
|---|
| Volume | 2024 |
|---|
| Issue number | 3 |
|---|
| Publication status | Published - 21 May 2024 |
|---|
bijgevoegde pdf is laatste auteursversie na redactionele vragen/aanwijzingen.