Abstract
Samenvatting van De Verleiding Weerstaan
RMO 2014
Nederland beweegt van een klassieke verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving
met meer eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid
van de burger. De vraag dient zich aan of het huidige repertoire aan beleidsinstrumenten
van verboden en geboden, van subsidies en heffingen en van
communicatie en voorlichting in deze nieuwe verhouding tussen overheid
en burger nog toereikend is. Enerzijds is er de wens tot loslaten, anderzijds
blijft er soms behoefte aan overheidsingrijpen of -sturing. Deze behoefte
wordt mede gevoed door de gedachte dat veel maatschappelijke problemen
verband houden met de eigenstandige gedragskeuzes van burgers. Denk
aan energieverbruik, zorgconsumptie, schuldenproblematiek en onveilig
gedrag in het verkeer.
Om op de juiste manier te kunnen terugtreden, ligt het voor de hand
dat de overheid haar repertoire van beleidsinstrumenten vernieuwt. Zij
kan daarvoor gebruikmaken van nieuwe inzichten uit de psychologie en
gedragseconomie. De Amerikaanse wetenschappers Thaler en Sunstein
(2009) introduceerden daarvoor het idee van nudge in hun gelijknamige
boek. De belofte van nudge is dat de overheid met behulp van de genoemde
inzichten burgers een duwtje in de ‘goede’ richting kan geven, zonder
daarbij hun vrijheden in te perken. Nudging is inmiddels gemeengoed bij
bedrijven en maatschappelijke organisaties, maar is de laatste jaren ook
wereldwijd op de agenda van politiek en beleid gekomen.
De belofte van nudging is echter omstreden. Vooral de wenselijkheid
van een nudgende overheid is onderwerp van een controverse tussen vooren
tegenstanders. Tegenstanders waarschuwen voor betutteling, manipulatie
en zelfs een technocratische aanval op democratische kernwaarden.
Voorstanders schetsen juist de mogelijkheid om via nudging de autonomie
van mensen te bevorderen. Het debat neigt naar een zwart-wittegenstelling,
wat de discussie er niet eenvoudiger op maakt, zeker niet voor
politici en beleidsmakers voor wie nudging mogelijk een aantrekkelijke
alternatieve vorm van beleidsuitoefening is.
Dit advies stelt de vraag onder welke voorwaarden de overheid nieuwe
inzichten uit de psychologie en de gedragseconomie kan aanwenden met
als doel de autonomie van burgers te versterken. Hierbij is een aantal deelvragen
van belang. De eerste betreft de belofte dat nudging de vrijheid
van burgers niet aantast; wordt deze belofte waargemaakt of is nudging bij
uitstek paternalistisch? De tweede vraag betreft de veronderstelling dat
burgers zich eenvoudig aan nudges kunnen onttrekken; is dit zo of werken
nudges in de praktijk juist manipulerend? De derde vraag betreft de
gedachte dat nudges vooral in het belang van burgers zouden zijn; hangt dit
niet af van de politieke doelen achter nudging en leidt nudging niet tot een
technocratische vorm van beleidsvoering?
Uitgangspunt bij de beantwoording van deze vragen is een democratische
samenleving waarin burgers autonome keuzes maken, zonder ongeoorloofde
inmenging van buiten, niet in de laatste plaats van de overheid.
Om de gestelde vragen te beantwoorden: politici en beleidsmakers kunnen
onwenselijke vormen van paternalisme voorkomen en de vrijheid van
burgers waarborgen door nudging-strategieën uitsluitend te gebruiken om
de weerstand van burgers te versterken. Ze kunnen daarnaast manipulatie
voorkomen en de opt-out van burgers waarborgen door burgers via nudging
zo veel mogelijk aan het denken te zetten en transparant te zijn over
de inzet van de gekozen nudging-instrumenten. Ze kunnen ten derde een
technocratische overheid voorkomen en democratische kernwaarden waarborgen
door in een openlijk politiek debat de werking en waarden die zij
met nudging beogen te expliciteren.
Deze conclusies leiden tot een herdefiniëring van wat nudging inhoudt.
Het doel ervan – voor zover het nudging door de overheid betreft – moet
niet zijn om mensen een duwtje in de ‘goede’ richting te geven, maar juist
om hun weerstand te versterken tegen verleidingen die niet in overeenstemming
zijn met hun eigen waarden en doelen. Nudges kúnnen dit doen
omdat ze meer dan traditionele strategieën mensen in staat stellen keuzes
te maken zonder hen die keuzes op te leggen.
Dit vergt wel een aantal (democratische) waarborgen. De eerste waarborg
betreft om ten aanzien van nudging meer terughoudendheid toe te
passen bij beleidsonderwerpen die meer omstreden zijn. Daarvoor is een
constructief en open politiek debat noodzakelijk over zowel het doel en
het middel als de waarden en de werking die politici en beleidsmakers
met nudging beogen. Naarmate klassieke grondrechten als de vrijheid
van meningsuiting, de onaantastbaarheid van het lichaam en het recht op
privacy meer in het geding zijn, neemt de noodzaak tot terughoudendheid
toe. De tweede waarborg betreft voldoende onafhankelijke en gemeenschappelijke kennisontwikkeling. De kennisontwikkeling is momenteel
erg versnipperd bij de overheid. Door deze beter te organiseren, door samen
te werken met maatschappelijke organisaties en door burgers meer bij de
ontwikkeling van nudges te betrekken, kan elke zweem van manipulatie
worden voorkomen. De derde waarborg betreft het garanderen van transparantie
en tegenkrachten in het democratische beleidsproces. Er dienen
voldoende mogelijkheden tot tegenspraak vanuit de samenleving te zijn.
Nudges moeten niet alleen volledig herleidbaar zijn, ook dienen burgers
over kanalen te beschikken om hun kritiek of ongenoegen hierover te
uiten. Een overheid die nieuwe inzichten uit de psychologie en de gedragseconomie
wil gebruiken, dient dus te werken aan de versterking van democratische
tegenkrachten in het beleidsproces.
| Original language | Dutch |
|---|---|
| Place of Publication | The Hague |
| Number of pages | 158 |
| Publication status | Published - 2014 |
Bibliographical note
geen DOIResearch programs
- EUR-ISS-EDEM
Cite this
- APA
- Author
- BIBTEX
- Harvard
- Standard
- RIS
- Vancouver