Fact checken bij overheidsbesluiten: wat we kunnen leren van Afrika

Sibout Nooteboom

Research output: Contribution to journalArticleProfessional

Abstract

Ieder nadeel heeft… inderdaad … zijn voordeel. In Afrika is men in staat om procedures voor zorgvuldige besluitvorming van de grond af op te bouwen, ongehinderd door een verkokerde erfenis uit het verleden. In Rwanda moet bijvoorbeeld iedere vergunningaanvraag (daar milieueffectrapport-aanvraag geheten) naar de Rwanda Development Board, de RDB. De RDB wordt rechtstreeks aangestuurd door de ‘integraalste’– en machtigste - man van het land, de president. In veel van deze landen wordt voor iedere aanvraag een interministeriële werkgroep opgericht zodat alle betrokken ministers mede verantwoordelijkheid kunnen dragen voor een gezamenlijk afgewogen besluit. Dat is nog eens wat anders dan een land waar iedere minister zijn eigen vergunninkje mag afgeven. Je kunt je natuurlijk afvragen hoe in de praktijk de gezagsverhoudingen in die werkgroepen zijn. Je kunt je dat trouwens net zo goed afvragen in Westerse landen (hoewel bij ons iedere minister afzonderlijk politiek kan worden aangesproken. Dat lijkt me in Afrika, met minder democratische controle en daardoor meer ruimte voor pikordes, lastiger). Als je verder doordenkt gaat het er bij zorgvuldige besluitvorming om dat de feiten voor iedereen zichtbaar op tafel liggen voordat een besluit genomen wordt, en dat daardoor de feiten aan de voorkant al sturend kunnen zijn op de ontwikkeling van voorstellen. En dus niet alleen de verhoudingen. Dat is vaak niet het geval. Er wordt wel integraal verantwoording afgelegd, maar de feiten, de rapporten, de onderbouwingen, komen vaak tot stand in een politiek gestuurd wordingsproces. De feiten zijn politiek vastgesteld, en nog erger: ze komen pas laat voor buitenstaanders met een frisse blik zichtbaar op tafel. Als de verhoudingen dan op scherp staan is het ‘weg zorgvuldigheid’. In Nederland: m.e.r. als ‘fact check’ Iedereen herinnert zich nog wel de ‘fact check’- hype in de laatste verkiezingsstrijd. Dat kan ook helpen bij ruimtelijke besluiten. Maar ‘echt objectieve kennis’ bestaat niet. Wel kan kennis om politieke redenen worden geaccepteerd als objectief, of er kan zelfs een echt leerproces zijn: mensen kunnen soms gaan geloven in andere feiten – dezelfde als waar anderen in geloven. Weinig mensen hebben het door, maar wij hebben in Nederland eigenlijk allang een interessante manier om dat te bevorderen. Je kunt het niet afdwingen, maar je kunt wel de kans vergroten. In de Nederlandse milieueffectrapportage (want dat is die manier) oordeelt een onafhankelijke commissie van deskundigen over de kwaliteit van de informatie. Het is de ‘fact check’ van de overheidsbesluitvorming over grote projecten. Als de kwaliteitscontrole geaccepteerd wordt als to-the-point en valide (voldoende vrij van politieke invloed), kan het bevoegd gezag dat kwaliteitsoordeel – of de daaruit voortvloeiende erkende feiten – gezagsvol meewegen in zijn besluit over de vergunning. Maar ‘acceptatie van feiten’ en ‘gezag van neutrale kennisdragers’ is in deze tijd steeds minder vanzelfsprekend. Om zijn geloofwaardigheid te behouden, zeker in een tijd van bezuinigen, moet die commissie zorgvuldig te werk gaan. De commissie wijst het gezag daarom op 1) feiten waar men zelf nog niet aan had gedacht en die evident waar en relevant zijn, 2) onwelkome feiten men dreigde te verdoezelen maar die ook moeilijk te ontkennen zijn, en 3) feiten die voor invloedrijke partijen wel degelijk omstreden zijn, maar die ze toch accepteren. Dat doen ze omdat, als ze de neutraliteit van de commissie aanvallen, ze ongeloofwaardig zouden worden als ze bij een volgende gelegenheid wel weer vertrouwen in haar stellen. (Invloed uitoefenen met kennis vraagt dus - paradoxaal genoeg – om een uitstekend gevoel voor politieke processen.) De kracht van milieueffectrapportage is dat het rechtstreeks inhaakt op de sterkste ontwikkelingsimpuls die we hebben: economische investeringen. Als je dat met kennis kunt beïnvloeden is dat een direct resultaat. In landen met een krachtig beleidssysteem is het ook mogelijk om de context te beïnvloeden waarin de investeringsagenda tot stand komt. Ook in dat domein hebben we in Nederland het kennisgezag geïnstitutionaliseerd: via de planbureaus. Alle collaterale effecten Milieueffectrapportage en planbureaus helpen ons om - meer dan in Afrika - het eens te zijn over feiten. Een buitengewoon voordeel. Natuurlijk hebben we hebben door onze erfenis in andere opzichten juist een achterstand op Afrika. Bij ons zijn allerlei procedures parallel ontstaan. Goed dat we procedures stroomlijnen dus. Maar waar het controversieel of onbekend terrein is, blijft zorgvuldigheid vereist. En soms levert een ‘fact check’ tijdwinst op in de besluitvorming: je hoeft minder te bakkeleien over feiten. Daarom zou je milieueffectrapportage juist moeten oprekken naar alle ‘collaterale effecten’ van ruimtelijke investeringen. Dat doen planbureaus ook. In Afrika - dat dus in dit opzicht geen remmende voorsprong heeft – wordt dat ook zo gezien. Ook onze omgevingswet, waaraan m.e.r. gekoppeld is, heeft inmiddels een dergelijke ambitie. Het lijkt me belangrijk dat bevoegde gezagen een beroep kunnen blijven doen op milieueffectrapportage. De vraag is of we dit beroep willen laten afhangen van politieke afwegingen, of dat we het gewoon altijd doen, omdat ieder investeringsbesluit controversieel zou kunnen blijken te zijn. Dat is soms lastig van te voren te zeggen, evenmin of er belangrijke feiten over het hoofd worden gezien (denk aan de Fyra). Maar er is ook een kostenafweging te maken voor de fact check. Het lijkt daarbij niet gewenst dat, zoals in Afrika, de politiek bij ieder te nemen besluit afzonderlijk volledig zelfstandig kan bepalen wanneer er een onafhankelijke fact check nodig is. Disclaimer: Dit is een column, bedoeld om reacties uit te lokken. Of het ook echt mijn persoonlijke mening is, laat staan die van mijn werkgever, doet er niet toe. Dat zou vanzelfsprekend moeten zijn, maar omdat mijn hoofdwerkgever de bedoelde commissie is benadruk ik dat toch maar even.
Original languageDutch
JournalVirtueel Bestuur
Publication statusPublished - 2013

Cite this