Abstract
In het institutionele hart van de Europese rechtsorde staat het HvJ als hoeder van de uniforme interpretatie en toepassing van EU-recht. Eén van de voornaamste mechanismen waarmee het HvJ die taak uitvoert, is het prejudiciële verwijzingssysteem van artikel 267 VWEU. Deze bepaling stelt nationale rechterlijke instanties in staat (en legt in bepaalde gevallen zelfs de verplichting op) vragen over de uitleg of geldigheid van EU-recht aan het HvJ voor te leggen. De toegang tot dit systeem is evenwel strikt begrensd. Uitsluitend instanties die als ‘rechterlijke instantie’ kwalificeren in de zin van artikel 267 VWEU kunnen een dergelijke verwijzing doen. In deze bijdrage gaat de auteur in op de vraag onder welke voorwaarden een nationaal orgaan als een ‘rechterlijke instantie’ kwalificeert in de zin van artikel 267 VWEU en hoe deze kwalificatie zich verhoudt tot het bredere EU-rechtelijke vereiste van rechterlijke onafhankelijkheid zoals voortvloeit uit artikel 19 VEU en artikel 47 Handvest.
| Original language | Dutch |
|---|---|
| Article number | 38 |
| Pages (from-to) | 28-38 |
| Number of pages | 11 |
| Journal | MBB |
| Volume | 2025 |
| Issue number | 12 |
| Publication status | Published - 22 Sept 2025 |
Research programs
- SAI 2007-05 FA
Cite this
- APA
- Author
- BIBTEX
- Harvard
- Standard
- RIS
- Vancouver