HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. voorwaardelijk opzet op de dood.

    Research output: Contribution to journalCase noteProfessional

    Abstract

    Poging tot doodslag (meermalen gepleegd) door voor zijn winkel in Amsterdam met vuurwapen in de richting van A en B te schieten. 1. Verweer m.b.t. betrouwbaarheid verklaringen A en B. 2. Bewijsklacht opzet. 3. Had Hof ex art. 6 EVRM ambtshalve oproeping van A en B als getuigen moeten bevelen? 4. Motivering strafoplegging.

    Ad 1. Hof heeft geoordeeld dat verklaringen van A en B voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat o.g.v. de inhoud van het dossier en het onderzoek ttz. geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan aan de betrouwbaarheid van die verklaringen moet worden getwijfeld. In dat verband heeft Hof o.m. overwogen dat de inhoud van die verklaringen in zoverre consistent is en in overeenstemming met verklaringen van drie andere getuigen en objectieve bevindingen in b.m. Hiermee heeft Hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd tot uitdrukking gebracht dat en waarom het de tot het bewijs gebezigde verklaringen betrouwbaar acht. Omstandigheid dat voornoemde personen zich daarnaast onheus en onjuist hebben uitgelaten over verdachte, noopt niet tot een ander oordeel.

    Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2003:AE9049 m.b.t. voorwaardelijk opzet op de dood. Hof heeft vastgesteld dat verdachte vuurwapen heeft gepakt toen hij zag dat A en B kwamen aanlopen en dat hij wist dat vuurwapen geladen was omdat hij zelf munitie in het vuurwapen had gedaan. Voorts heeft Hof vastgesteld dat verdachte door derde werd gewaarschuwd dat hij het niet moest doen, dat verdachte met vuurwapen - waarvan hij niet precies wist hoe het werkte - in de hand naar de deur is gelopen, dat hij vuurwapen richtte in de richting van B en schoot, waarna B zich bukte en een kogel over zijn hoofd hoorde vliegen, en dat verdachte vuurwapen daarna richtte in de richting van A en hem in het onderbeen raakte. Volgens Hof was onder deze omstandigheden, in een dynamische situatie waarbij potentiële slachtoffers in beweging waren, sprake van een aanmerkelijke kans dat A en B dodelijk zouden worden getroffen door de door verdachte afgevuurde kogels. Verdachtes gedragingen, i.h.b. het meerdere malen van betrekkelijke korte afstand met vuurwapen gericht schieten op een persoon, kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood van die persoon gericht dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. ’s Hofs oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

    Ad 3. P-v’s ttz. in e.a. en h.b. houden niet in dat door of namens verdachte is verzocht A en/of B als getuige te (doen) horen. Indien rechter in e.a. heeft doen blijken dat hij een t.o.v. opsporingsambtenaar afgelegde, verdachte belastende verklaring van getuige niet betrouwbaar acht en daarom niet voor bewijs gebruikt, en rechter (mede) op die grond tot vrijspraak van tlgd. feit is gekomen, dient rechter in h.b., indien hij die verklaring wel voor bewijs gebruikt, ter waarborging van deugdelijkheid van bewijsbeslissing daartoe de redenen op te geven. I.h.b. moet rechter in h.b. vermelden op welke gronden hij desbetreffende verklaring betrouwbaar acht. Die gronden kunnen, maar behoeven niet te zijn ontleend aan verhoor van getuige in h.b. In dit verband kan voorts van belang zijn de mate waarin verklaring van getuige steun vindt in andere b.m., alsook de door OM tegen vrijspraak aangevoerde bezwaren en procesopstelling van verdachte. Hof heeft geen aanleiding gezien gebruik te maken van zijn bevoegdheid A en B - wier tegenover politie afgelegde verklaringen Hof tot bewijs heeft gebezigd - ambtshalve als getuige te (doen) ondervragen. I.v.m. deze verklaringen heeft Hof o.m. overwogen dat de inhoud daarvan, v.zv. tot bewijs gebezigd, consistent is en in overeenstemming met verklaringen van drie andere getuigen en objectieve bevindingen zoals opgenomen in b.m. In ‘s Hofs bewijsvoering ligt voorts besloten dat veroordeling van verdachte niet uitsluitend of in beslissende mate is gebaseerd op verklaringen van A en B. Daarnaast moet ervan worden uitgegaan dat noch in e.a. noch in h.b. door of namens verdachte het verzoek is gedaan deze personen ttz. te horen. Tegen deze achtergrond getuigt ’s Hofs oordeel dat er geen aanleiding was gebruik te maken van zijn bevoegdheid ambtshalve A en B te horen, ook in het licht van het recht op een eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Omstandigheid dat Rb verklaringen van A en B niet betrouwbaar achtte en verdachte heeft vrijgesproken, leidt niet tot een ander oordeel, nu Hof genoegzaam de redenen heeft opgegeven als hiervoor bedoeld.

    Ad 4. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2001:AD4286, inhoudende dat keuze van factoren die van belang zijn voor strafoplegging is voorbehouden aan feitenrechter. Hof heeft bij motivering opgelegde gevangenisstraf van 5 jaren onder ogen gezien dat Rb (o.g.v. andere bewezenverklaring) een lagere straf had opgelegd (14 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk) en dat duur van opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf duur van de door AG gevorderde straf (24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk) (ruimschoots) overtreft. Aldus heeft Hof zijn oordeel toereikend gemotiveerd. V.zv. middel klaagt dat Hof ten onrechte geen acht heeft geslagen op reclasseringsrapportage, faalt het omdat geen rechtsregel voorschrijft dat rechter bij strafoplegging reclasseringsrapportage expliciet in zijn overwegingen betrekt. Mede in aanmerking genomen dat verdediging daarop i.h.k.v. strafmaat geen beroep heeft gedaan, geldt hetzelfde voor in schriftuur naar voren gebracht standpunt dat A en B verdachte voorafgaand aan schietincident hebben bedreigd. Volgt verwerping. CAG: anders.
    Original languageDutch
    Article number348
    Pages (from-to)1280-1282
    Number of pages3
    JournalNieuwsbrief Strafrecht Geannoteerd
    Volume22
    Issue number13
    Publication statusPublished - 7 Dec 2018

    Court cases

    CourtHoge Raad der Nederlanden
    Date of judgement16/10/18
    ECLI IDECLI:NL:HR:2018:1943

    Cite this