Litouwse btw-regeling niet strijdig met Btw-richtlijn

Research output: Contribution to journalCase noteProfessional

Abstract

De Litouwse vennootschap Arvi heeft op 8 mei 2015 een onroerende zaak met btw verkocht. De koper was op het moment van de verkoop weliswaar een belastingplichtige, maar nog niet voor btw-doeleinden geïdentificeerd omdat het (eerste) verzoek om registratie was afgewezen. De koper werd pas een maand later (namelijk in juni 2015) voor btwdoeleinden geïdentificeerd. De belastinginspectie stelt zich op het standpunt dat de koper voor btw-doeleinden moet zijn geïdentificeerd, wil de belastingplichtige voor een belaste levering kunnen kiezen.
In het kader van een geschil hierover heeft de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos vyriausybės (commissie voor fiscale geschillen, Litouwen) aan het HvJ drie prejudiciële vragen gesteld.
Het HvJ verklaart in antwoord op de vragen het volgende voor recht.
Artikel 135 en 137 Btw-richtlijn verzetten zich niet tegen een nationale regeling die het recht van een belastingplichtige om te kiezen voor de heffing van btw over de verkoop van een onroerend goed afhankelijk stelt van de voorwaarde dat dit goed wordt overgedragen aan een belastingplichtige die op het tijdstip van het sluiten van de transactie reeds voor btw-doeleinden is geïdentificeerd. De bepalingen van de Btw-richtlijn, het beginsel van fiscale neutraliteit, het doeltreffendheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel verzetten zich niet tegen
een nationale wettelijke regeling en praktijk op grond waarvan de verkoper van een onroerend goed verplicht is om de aftrek van de over dat goed betaalde btw te herzien nadat hem het recht is geweigerd om te kiezen voor belastingheffing over die verkoop omdat de afnemer op de datum van deze handeling niet voldeed aan de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht door de verkoper. Hoewel
het daadwerkelijke gebruik van het betrokken onroerend goed door de afnemer in het kader van aan btw onderworpen activiteiten in dit verband irrelevant is, zijn de bevoegde autoriteiten niettemin verplicht om na te gaan of er sprake is van fraude of misbruik door de belastingplichtige die voornemens was zijn recht uit te oefenen om voor belastingheffing over de betrokken handeling te kiezen.
Conform Conclusie A-G Kokott (NLF 2022/0669, met noot van Willemsen).
Original languageDutch
Article number1382
Pages (from-to)12-14
JournalNLFiscaal
Volume7
Issue number29
Publication statusPublished - 21 Jul 2022

Court cases

CourtHof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Date of judgement30/06/22
ECLI IDECLI:EU:C:2022:509
Case numberC-56/21

Cite this