Noot onder HR 23 april 2013 (Locaalvredebreuk en collectieve actie/stakingsrecht)

Research output: Contribution to journalArticleAcademic

Abstract

OM-cassatie. Het middel klaagt niet over het uitgangspunt van het hof dat de aan de verdachte verweten gedragingen - te weten: het binnendringen en vertoeven in het kantoor van Asiro op 1 april 2009 - plaatsvonden in het kader van de uitoefening van het in art. 6 aanhef en onder 4 Europees Sociaal Handvest (ESH) bedoelde recht op collectief optreden. Dit brengt met mee dat dit optreden gerechtvaardigd is, behoudens indien sprake is van een in art. G ESH voorziene grond tot beperking van de uitoefening van dit recht. het hof heeft overwogen dat de onderhavige actie van korte duur is geweest, dat daarbij slechts een geringe inbreuk is gemaakt op de recht van Asito en de in het kantoor werkzame werknemers, dat niet is gebleken dat door deze actie enige schade is ontstaan of dat de actie gepaard is gegaan met (andere) strafbare feiten of wanordelijkheden, en dat de verdachte en de stakers de actie uit zichzelf hebben beëindigd. Daarin ligt als 's hofs oordeel besloten dat weliswaar inbreuk is gemaakt op het in art. 138 Sr beschermde recht van Asito, maar dat die inbreuk slechts beperkt - en daarmee niet van het voor toepassing van art. G ESH vereiste gewicht - is geweest en dat mede gelet daarop de in de tenlastelegging omschreven gedragingen werden gerechtvaardigd door het in art. 6 aanhef en lid 4 ESH neergelegde recht op collectief optreden. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Original languageDutch
JournalNederlandse Jurisprudentie. Uitspraken in Burgerlijke en Strafzaken
Volume2013
Issue number576
Publication statusPublished - 2013

Cite this