Noot onder HR 28 oktober 2011 (Civielrechtelijk kort geding tegen strafrechtelijk ontruiming)

Research output: Contribution to journalArticleAcademic

Abstract

Strafrechtelijke ontruiming. Huisrecht kraker; art. 8 EVRM en art. 12 Gw Wet kraken en leegstand; art. 138a Sr, art. 551a Sv. Legitimiteit art. 551a Sv? Strijd art. 7 EVRM indien na inwerkingtreding art. 138a Sr voortgezet verblijf strafbaar wordt? Voorafgaande rechterlijke toetsing rechtmatigheid (dreigende) ontruiming vereist?; 'arguable claim'? kraker; kort geding in één instantie voldoende effectief?; art. 13 EVRM; tijdige aankondiging ontruiming; deugdelijke gepubliceerde beleidsregels; Beleidsbrief College van procureurs-generaal. Art. 1 Eerste protocol EVRM. Aan de krakers in deze zaak komt het huisrecht toe en zij kunnen uit hoofde van hun, ook door art. 12 Gw gewaarborgde, huisrecht aanspraak maken op bescherming art. 8 EVRM. Art. 551a Sv (dat een ontruimingsbevoegdheid schept o.g.v. de enkele verdenking van wederrechtelijk binnendringen of vertoeven) voldoet aan de eisen van voldoende kenbaarheid, voorzienbaarheid en nauwkeurigheid. De wetgever heeft binnen de grenzen van de hem toekomende 'margin of appreciation'? in overeenstemming met art. 8 id 2 EVRM kunnen oordelen dat deze ontruimingsbevoegdheid een legitiem doel dient en in een democratische samenleving noodzakelijk is. Het hof heeft terecht geoordeeld dat het de wetgever vrijstond het wederrechtelijk vertoeven afzonderlijk, los van het wederrechtelijk binnendringen, strafbaar te stellen en dat geen strijd met art. 7 EVRM optreedt in een geval waarin het verblijf dat voor de inwerkingtreding is aangevangen, en nadien wordt voortgezet, strafbaar wordt. Aan de omstandigheid dat het verblijf wederrechtelijk is kan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat een kraker geen verdedigbare klacht ('arguable claim'? of 'arguable complaint'?) kan hebben over (dreigende) schending van zijn huisrecht. Het is de onafhankelijke rechter die zal dienen te onderzoeken of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde, het beëindigen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten van derden boven het huisrecht van de kraker, in het concrete geval de proportionaliteitstoets kan doorstaan. Het hof heeft zonder miskenning van art. 13 EVRM geoordeeld dat een kort geding in één instantie een voldoende effectief rechtsmiddel vormt ter bescherming van het huisrecht van de krakers en dat voor een verdergaande bescherming geen noodzaak bestaat. Voor de effectiviteit van het rechtsmiddel is vereist dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de ontruiming op een zodanig tijdstip wordt aangekondigd dat er voldoende gelegeneheid is om een kort geding aanhangig te maken en dat, bij gebreke van een regeling terzake in de Wet kraken en leegstand, slechts nauwkeurig omschreven en deugdelijk gepubliceerde beleidsregels van het OM een voldoende waarborg dienaangaande bieden. De beleidsbrief van het College van procureurs-generaal (Stcrt. 2010, nr. 19500) voldoet aan de hiervoor geformuleerde vereisten. Bij een deugdelijk vooraf aangekondigde ontruiming op de voet van art. 551a Sv zal in het algemeen zijn voldaan aan de door art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM verlangde procedurele waarborgen ter bescherming van (het ongestroorde genot van) eigendomsrecht van aan de kraker toebehorende zaken.
Original languageDutch
Pages (from-to)1159-1199
Number of pages41
JournalNederlandse Jurisprudentie. Uitspraken in Burgerlijke en Strafzaken
Volume2013
Issue number153
Publication statusPublished - 2013

Cite this