Slachtofferschap in de publieke taak. Een secundaire analyse op basis van monitoren van programma Veilige publieke taak.

Tamar Fischer, Lisa Reemst

Research output: Book/Report/Inaugural speech/Farewell speechReportAcademic

Abstract

Werknemers met een publieke taak maken in hun werk agressie en geweld mee. Hoe vaak en op welke manier dat gebeurt, verschilt sterk tussen werknemers. De Erasmus Universiteit Rotterdam heeft in opdracht van het programma Veilige Publieke Taak een secundaire data-analyse uitgevoerd op gegevens uit de monitoren Agressie en Geweld Openbaar Bestuur (2012) en Agressie en Geweld tegen Werknemers met een Publieke Taak (2011). Doel van het onderzoek was om na te gaan of de beschrijving en verklaring van verschillen in geweldservaringen (waaronder herhaald slachtofferschap) kunnen worden verbeterd. Er is nagegaan hoe de werknemers op basis van hun geweldservaringen kunnen worden ingedeeld in groepen werknemers met vergelijkbare ervaringen. Er is rekening gehouden met het type (verbaal geweld, bedreiging, fysiek geweld, seksuele intimidatie en discriminatie) en de frequentie van het ervaren geweld. Vervolgens is beschreven hoe de gevormde groepen, de geweldssegmenten, van elkaar verschillen in persoonlijke-, functie- en subjectieve kenmerken. Gemeten subjectieve kenmerken zijn de mening van de werknemer over de preventie en nazorg door de werkgever, de inschatting van eigen vaardigheden en gedrag van de werknemer en de perceptie van de eigen onveiligheid en het risico dat zij lopen op slachtofferschap. Een kleine groep werknemers ervaart het gros van de incidenten Het rapport beschrijft de geweldssegmenten apart voor de totale populatie werknemers met een publieke taak exclusief openbaar bestuur, voor de totale populatie overheidswerknemers en voor de totale populatie politieke ambtsdragers. Daarnaast zijn de volgende deelpopulaties uitgelicht: ambulance personeel, politieambtenaren, treinpersoneel, UWV medewerkers, medewerkers in het voortgezet onderwijs, overheidsmedewerkers van gemeenten, en gemeenteraadsleden. Voor alle populaties en deelpopulaties werden de werknemers in drie of vier geweldssegmenten ingedeeld waarbij de werknemers per segment sterk op elkaar lijkende geweldservaringen hadden. In alle (deel)populaties blijkt een kleine groep werknemers, tussen 2 en 8 procent, een groot deel, 40 tot 70 procent, van de incidenten mee te maken. Vooral in het openbaar bestuur (overheid en politiek) worden hele kleine groepen werknemers (2 tot 4 procent van de populatie) onderscheiden die veel of extreem veel geweld meemaken. Dit zou kunnen komen door verschillen in sociaal demografische, functie- of subjectieve kenmerken van de medewerkers (zie volgende paragraaf voor kenmerken die samenhangen met de geweldssegmenten). Deze relatief kleine groep die veel geweld meemaakt kan interessant zijn om specifieke preventiemaatregelen of nazorg op te richten. Bij alle deelpopulaties is er een groot segment waarin weinig geweld is ervaren. Dit segment is het grootste bij de het openbaar bestuur (66%) en de politieke ambtsdragers (89%). Bij de totale groep overige publieke taken maakt 45 procent van de medewerkers weinig geweld mee, bij het treinpersoneel zelfs maar 36 procent. Bij sommige populaties is er in het laagste geweldsegment een zeer grote groep werknemers die helemaal geen geweldservaringen heeft, namelijk bij het voortgezet onderwijs, bij de politieke ambtsdragers en in de totale groep publieke taak werknemers. Onder de andere deelpopulaties blijkt met name verbale agressie zo wijd verspreid dat zelfs in het laagste segment tenminste twintig procent van de werknemers hiermee te maken kreeg. In het hoogste geweldssegment bleken bij de meeste beroepen de werknemers meer van alle soorten geweld te ervaren. Een opvallende uitzondering daarop zijn de politieambtenaren. Bij deze functiegroep bleken twee in ernst vergelijkbare maar in aard verschillende vormen van extreme geweldservaringen te bestaan. Er is een groep werknemers die vaak fysiek geweld meemaakt maar veel minder vaak bedreiging en discriminatie. Daarnaast is er een groep politieambtenaren die minder vaak fysiek geweld meemaakt, maar wel heel vaak bedreiging en discriminatie. Deze verschillende profielen van extreem geweld vragen mogelijk ook om andere preventie en nazorg. Grote verschillen in risicoperceptie tussen geweldssegmenten Werknemers in de verschillende geweldssegmenten verschillen sterk in hun perceptie van het risico op het meemaken van geweld in de komende maanden. Mensen die veel geweld meemaakten in het afgelopen jaar schatten de kans dus hoger in dat zij ook in de komende periode slachtoffer worden. Dit is geen verrassende bevinding maar wel een belangrijke. Voordat hieraan echter te grote consequenties kunnen worden verbonden is meer onderzoek nodig. Het kan zijn dat kenmerken die niet gemeten zijn, zoals functiekenmerken of gedragkenmerken, zowel de risicoperceptie als de geweldservaringen beïnvloeden. Ook is het mogelijk dat het slachtofferschap juist de risicoperceptie beïnvloedt. Op basis van deze monitoren is niet vast te stellen hoe dit verband in werkelijkheid loopt. Naast de risicoperceptie is er maar een aantal kenmerken dat sterk verschilt tussen geweldssegmenten. Werknemers met meer geweldservaringen, hebben meer onveiligheidsgevoelens, meer frequent contact met burgers, vaker face-to-face contact (bij ambulance medewerkers juist telefonisch!) en zijn vaker van mening dat burgers in de afgelopen twee jaar agressiever zijn geworden. Andere kenmerken verschillen minder sterk tussen de geweldssegmenten. Het is echter van belang ook aandacht te houden voor deze zwakkere verbanden, aangezien alle gemeten kenmerken bij elkaar verschillen in slachtofferschap wel redelijk goed kunnen verklaren. Idealiter hadden we ook beschreven hoe de kleine groep werknemers die extreem geweld ervaart, verschilt van de andere werknemers. Daarmee zou beter specifieke preventie kunnen worden ontwikkeld voor deze groep. Hiervoor blijken de groepen werknemers die extreem geweld ervaren in dit onderzoek echter vaak te klein. In toekomstig onderzoek zou daarom een groter aantal werknemers moeten worden opgenomen dat extreem geweld ervaart. Daarnaast blijken kenmerken verschillend samen te hangen met verschillende typen geweld (verbaal, fysiek, etc.). Naast onderzoek naar de geweldssegmenten blijft het dus van belang om oog te houden voor de verschillende typen geweldservaringen. De grenzen van de monitoren en het belang van oorzaak gevolg redeneringen Een van de ambities van het programma VPT is om beter te kunnen verklaren hoe verschillen in slachtofferschap worden veroorzaakt. Vervolgens kan dan beleid worden gemaakt om het slachtofferschap in te perken. De mogelijkheden die de huidige monitoren hiertoe geven zijn duidelijk beperkt. Hoewel een grote hoeveelheid gegevens verzameld wordt, is maar heel beperkt vast te stellen wat de oorzaken en wat de gevolgen zijn. Om hierin verbetering aan te brengen, is het belangrijk dat metingen van mogelijke oorzaken en van gevolgen in de toekomst niet op een en hetzelfde moment worden gedaan. Het verzamelen van prospectieve longitudinale data (paneldata) is daarom een belangrijk doel voor toekomstig onderzoek.
Original languageDutch
Place of PublicationRotterdam
PublisherErasmus Universiteit Rotterdam (EUR)
Number of pages143
DOIs
Publication statusPublished - 2014

Cite this