Abstract
De toewijzing van smartengeld buiten lichamelijk letsel heeft de afgelopen jaren een sterke ontwikkeling doorgemaakt, vooral in het strafproces. Centraal staat artikel 6:106 BW, dat naast lichamelijk letsel en schending van eer en goede naam ook een aanspraak op smartengeld biedt bij aantasting van de persoon ‘op andere wijze’. Sinds het arrest van de Hoge Raad in 2019 is duidelijk dat dit kan berusten op twee gronden: objectief vastgesteld geestelijk letsel en de zogenoemde EBI-norm, waarbij de aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan bepalend zijn. Deze bijdrage analyseert de interpretatie van de EBI-norm, de vaststelling van smartengeldbedragen en de rol van de Rotterdamse schaal als hulpmiddel om deze vaststelling inzichtelijker en consistenter te maken.
| Original language | Dutch |
|---|---|
| Article number | 2685 |
| Number of pages | 10 |
| Journal | Nederlands Juristenblad (NJB) |
| Volume | 2025 |
| Issue number | 38 |
| Publication status | Published - 3 Dec 2025 |
Cite this
- APA
- Author
- BIBTEX
- Harvard
- Standard
- RIS
- Vancouver