Abstract
Hof Arnhem-Leeuwarden heeft het hoger beroep van X (bv; belanghebbende) in een BPM-zaak gegrond verklaard en de zaak teruggewezen naar de Inspecteur.
Het Hof heeft de proceskostenvergoeding vastgesteld op € 1.068. Voor zowel het beroep als het hoger beroep is het Hof daarbij uitgegaan van 2 punten voor verrichte proceshandelingen, van een wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 534.
X komt in cassatie met succes op tegen de beslissing van het Hof over de proceskostenvergoeding. De Hoge Raad verwijst hierbij naar rechtsoverweging 5.2 tot en met 5.8 van het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022 (21/02977, ECLI:NL:HR:2022:752). De differentiatie per 1 juli 2021 van de waarde per punt in beroep en hoger beroep is in strijd met het discriminatieverbod.
X komt ook terecht op tegen het oordeel van het Hof dat geen recht bestaat op een immateriële schadevergoeding. Het Hof heeft de redelijke termijn van berechting in hoger beroep ten onrechte verlengd. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat partijen zijn uitgenodigd voor een onderzoek ter zitting in de periode van sluiting van de gerechtsgebouwen tijdens de coronapandemie (vgl. HR 27 mei 2022, 21/02977, ECLI:NL:HR:2022:752, r.o. 3.4.1 en 3.4.2).
Het Hof heeft de proceskostenvergoeding vastgesteld op € 1.068. Voor zowel het beroep als het hoger beroep is het Hof daarbij uitgegaan van 2 punten voor verrichte proceshandelingen, van een wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 534.
X komt in cassatie met succes op tegen de beslissing van het Hof over de proceskostenvergoeding. De Hoge Raad verwijst hierbij naar rechtsoverweging 5.2 tot en met 5.8 van het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022 (21/02977, ECLI:NL:HR:2022:752). De differentiatie per 1 juli 2021 van de waarde per punt in beroep en hoger beroep is in strijd met het discriminatieverbod.
X komt ook terecht op tegen het oordeel van het Hof dat geen recht bestaat op een immateriële schadevergoeding. Het Hof heeft de redelijke termijn van berechting in hoger beroep ten onrechte verlengd. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat partijen zijn uitgenodigd voor een onderzoek ter zitting in de periode van sluiting van de gerechtsgebouwen tijdens de coronapandemie (vgl. HR 27 mei 2022, 21/02977, ECLI:NL:HR:2022:752, r.o. 3.4.1 en 3.4.2).
| Original language | Dutch |
|---|---|
| Journal | NLFiscaal |
| Volume | 2023 |
| Issue number | 0311 |
| Publication status | Published - 9 Feb 2023 |
Court cases
| Court | Hoge Raad der Nederlanden |
|---|---|
| Date of judgement | 27/01/23 |
| ECLI ID | ECLI:NL:HR:2023:105 |
| Case number | 21/03919 |
Research programs
- SAI 2007-05 FA
Cite this
- APA
- Author
- BIBTEX
- Harvard
- Standard
- RIS
- Vancouver