Abstract
X (belanghebbende) verzorgde vanaf juli 2006 de opvang van de kinderen van haar dochter. Voor haar werkzaamheden ontving X (via een gastouderbureau) een vergoeding bestaande uit (een deel van) de door de dochter ontvangen kinderopvangtoeslag. X heeft de ontvangen bedragen steeds als resultaat uit
overige werkzaamheden opgenomen in haar aangiften IB/PVV.
Op basis van een uitspraak van de Raad van State van 4 maart 2015 (201404051/1/A2, ECLI:NL:RVS:2015:630) moest de dochter een bedrag aan kinderopvangtoeslag terugbetalen aan de Belastingdienst/Toeslagen omdat zij daarop over het jaar 2008 en 2009 geen aanspraak had. In het
kader van een betalingsregeling heeft de dochter een bedrag van € 8.000 aan Belastingdienst/Toeslagen terugbetaald. Het bedrag van € 8.000 heeft de dochter van X ontvangen.
In geschil is of het bedrag van € 8.000 dat X aan de dochter heeft (terug)betaald aftrekbaar is als negatieve inkomsten op het resultaat uit overige werkzaamheden (IB/PVV 2018).
Rechtbank Den Haag is ermee bekend dat de Hoge Raad in het arrest van 27 maart 2020 (18/05180, ECLI:NL:HR:2020:513) in een vrijwel identiek geval heeft beslist dat in een geval als dit geen recht op aftrek bestaat. Een uitspraak in de onderhavige zaak die in lijn is met het arrest zou louter vanuit fiscale optiek de meest zuivere zijn, maar daarbij wordt naar het oordeel van de Rechtbank onvoldoende rekening gehouden met andere (menselijke) aspecten die in de onderhavige zaak spelen, dan wel hebben gespeeld. De Rechtbank is dan ook in weerwil van het arrest van oordeel dat de terugbetaling van € 8.000 door X aan de dochter aangemerkt moet worden als een negatief resultaat uit overige
werkzaamheden.
overige werkzaamheden opgenomen in haar aangiften IB/PVV.
Op basis van een uitspraak van de Raad van State van 4 maart 2015 (201404051/1/A2, ECLI:NL:RVS:2015:630) moest de dochter een bedrag aan kinderopvangtoeslag terugbetalen aan de Belastingdienst/Toeslagen omdat zij daarop over het jaar 2008 en 2009 geen aanspraak had. In het
kader van een betalingsregeling heeft de dochter een bedrag van € 8.000 aan Belastingdienst/Toeslagen terugbetaald. Het bedrag van € 8.000 heeft de dochter van X ontvangen.
In geschil is of het bedrag van € 8.000 dat X aan de dochter heeft (terug)betaald aftrekbaar is als negatieve inkomsten op het resultaat uit overige werkzaamheden (IB/PVV 2018).
Rechtbank Den Haag is ermee bekend dat de Hoge Raad in het arrest van 27 maart 2020 (18/05180, ECLI:NL:HR:2020:513) in een vrijwel identiek geval heeft beslist dat in een geval als dit geen recht op aftrek bestaat. Een uitspraak in de onderhavige zaak die in lijn is met het arrest zou louter vanuit fiscale optiek de meest zuivere zijn, maar daarbij wordt naar het oordeel van de Rechtbank onvoldoende rekening gehouden met andere (menselijke) aspecten die in de onderhavige zaak spelen, dan wel hebben gespeeld. De Rechtbank is dan ook in weerwil van het arrest van oordeel dat de terugbetaling van € 8.000 door X aan de dochter aangemerkt moet worden als een negatief resultaat uit overige
werkzaamheden.
| Original language | Dutch |
|---|---|
| Article number | NLF 2023/1828 |
| Number of pages | 7 |
| Journal | NLFiscaal |
| Publication status | Published - 6 Jul 2023 |
Court cases
| Court | Rechtbank Den Haag |
|---|---|
| Date of judgement | 6/07/23 |
| ECLI ID | ECLI:NL:RBDHA:2023:11475 |
Research programs
- SAI 2007-05 FA
Cite this
- APA
- Author
- BIBTEX
- Harvard
- Standard
- RIS
- Vancouver