Wat wil de wetgever?

Harm Kloosterhuis, Carel Smith

Research output: Chapter/Conference proceedingChapterAcademic

Abstract

Deze bijdrage betwist de stelling van de auteurs van ‘Over vermeende wetshistorische rechtsvinding en selectieve interpretatie’ dat de rechters tegenwoordig bewust afwijken van de bedoeling van de wetgever en eigen recht vormen. Volgens de auteurs dient de rechter zich primair te richten op de bedoeling van de wetgever, zoals die primair kan worden achterhaald aan de hand van de bewoordingen van de wet. Mocht de grammaticale uitleg onverhoopt onvoldoende richtsnoer bieden, dan zou de bedoeling moeten worden achterhaald met name door bij de wetshistorie te rade te gaan. Een dergelijk rechtsvindingsmodel is echter onhoudbaar, zoals reeds door een reeks van rechtsfilosofische scholen rond het begin van de twintigste eeuw is aangetoond. In deze bijdrage wordt betoogd dat het arrest Maring/Assuradeuren, dat door de auteurs wordt aangehaald als voorbeeld hoe de rechter wel te werk dient te gaan, juist de onhoudbaarheid toont van hun rechtsvindingsmodel. Daarnaast wordt in de bijdrage een door de auteurs bekritiseerde uitspraak van de Raad van State geanalyseerd. Anders dan de auteurs betogen wijkt de rechter hier niet bewust af van de wet om eigen recht te vormen
Original languageDutch
Title of host publicationTrouble in de Trias
Subtitle of host publicationBijdragen over de verhoudingen tussen de Nederlandse staatsmachten
EditorsR. Jansen, T. van Polanen, D. Sander, P. Sijtsma
Place of Publication9789493199170
Pages277-282
Number of pages5
Edition1
Publication statusPublished - 24 Mar 2021

Cite this